Useful Tips

Welke naamval Duits in?

Welke naamval Duits in?

Voorzetsels met de 3e OF 4e naamval

an = aan, naar über
auf = op unter
hinter = achter vor
neben = naast zwischen
in = in, naar

Hoe noem je naamvallen in het Duits?

Wiktionary: naamval → Fall, Kasus. naamval → Kasus, Fall, Elativ.

Waarom heeft het Duits naamvallen?

Wat is een naamval? In het Duits kunnen de lidwoorden verschillende uitgangen hebben, die een naamval uitdrukken. Naamvallen zijn nodig om de functie van een zinsdeel aan te geven. Zo drukken ze ‘het onderwerp’, ‘het lijdend voorwerp’, of ‘het meewerkend voorwerp’ van een zin uit.

Hoe werken de Duitse naamvallen?

De Duitse naamvallen kunnen door drie factoren bepaald worden: door de grammaticale functie van het zinsdeel (ontleden) – onderwerp en naamwoordelijk deel = eerste naamval (Nominativ); lijdend voorwerp en tijdsbepaling zonder voorzetsel = vierde naamval (Akkusativ); meewerkend voorwerp = derde naamval (Dativ) …

Welke naamval bij tijdsbepaling Duits?

Een tijdsbepaling zonder voorzetsel staat altijd in de 4e naamval.

Welke naamval is bei?

Je gebruikt de derde naamval na een van de volgende voorzetsels:

  • aus (uit)
  • bei (bij)
  • mit (met)
  • nach (naar)
  • seit (sinds)
  • von (van/door)
  • zu (naar)
  • entgegen (tegemoet)

Welke naamval is zu?

De derde naamval wordt gebruikt: Voor het meewerkend voorwerp (aan, voor). Altijd na de voorzetsels aus, bei, mit, nach, seit, von, zu, außer en gegenüber.

Wat is het meewerkend voorwerp Duits?

Om het meewerkend voorwerp te kunnen vinden stel je de vraag: aan wie of voor wie of wat + PV/gezegde + onderwerp +lijdend voorwerp. Bijv. Die Frau gibt dem Kind einen Ball. Het meewerkend voorwerp staat in de 3e naamval.

Hoeveel naamvallen heeft Duits?

Er zijn in het Duits vier naamvallen. De functie van elke naamval wordt hieronder uitgelegd met een voorbeeld. Vervolgens wordt nog een overzicht gegeven van de vervoegingen voor de ‘der’-groep en de ‘ein’-groep.

Hoe ontleed je zinnen in het Duits?

Zoek de persoonsvorm/gezegde (dit kan bijv.

  • Stel de vraag: wie of wat + persoonsvorm/gezegde?
  • Om het lijdend voorwerp te kunnen vinden stel je de vraag: wie of wat + onderwerp + gezegde.
  • Om het meewerkend voorwerp te kunnen vinden stel je de vraag: aan wie of voor wie of wat + PV/gezegde + onderwerp +lijdend voorwerp.
  • Hoe leg je naamvallen uit?

    Tip 3: De functie van de naamvallen is hetzelfde als in het Nederlands

    1e naamval centrum van de zin Der Mann kauft das Auto.
    2e naamval NL = van (bezittelijk) Das Auto des Mannes ist rot.
    3e naamval NL = aan Der Mann gibt der Frau das Auto.
    4e naamval object Der Mann gibt der Frau das Auto.